De meest voorkomende vormen van ASS zijn:
• Autistische Stoornis
• Syndroom van Asperger
• PDD-NOS
Mensen met een Autistische Stoornis hebben ernstige problemen op het gebied van de sociale interactie en communicatie. Daarnaast laten ze zich herhalende, niet functionele en beperkte gedragspatronen en interesses zien. Er is vaak sprake van een taalachterstand of eigenaardig taalgebruik. Soms zijn er bijkomende problemen zoals agressie, angst of een verstandelijke beperking. De stoornis moet binnen de eerste drie levensjaren zichtbaar zijn.
Mensen met het Syndroom van Asperger hebben eveneens ernstige problemen in de sociale interactie en beperkte gedragspatronen en interesses. Er is echter geen sprake van een vertraagde taalontwikkeling of achterblijvende verstandelijke ontwikkeling. Vreemd taalgebruik, zoals volwassen taalgebruik en breedvoerigheid, zijn wel zichtbaar. De stoornis komt hierdoor meestal pas in de basisschoolleeftijd tot uiting. Mensen met Asperger hebben een gemiddelde tot hoge intelligentie.
Mensen met PDD-NOS hebben ook sociale en communicatieve problemen, maar voldoen niet aan de criteria van de Autistische Stoornis. Bij deze mensen zijn bijvoorbeeld de kenmerken pas op latere leeftijd zichtbaar of zij laten te weinig kenmerken zien. De term PDD-NOS staat voor Pervasive Developmental Disorder - Not Otherwise Specified. Dit betekent: Pervasieve Ontwikkelingsstoornis - Niet Anderszins Omschreven.
ASS komt bij één op de honderd mensen voor en komt drie tot vier maal vaker voor bij jongens dan bij meisjes.
Hieronder worden de kenmerken van de Autistische Stoornis besproken. Deze kenmerken kunnen ook zichtbaar zijn bij het Syndroom van Asperger of PDD-NOS.
Kenmerken Autistische StoornisProblemen op het gebied van sociale interactie:
-
Je maakt weinig gebruik van oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding of gebaren
-
Je hebt moeite om vriendschappen met leeftijdsgenoten aan te gaan
-
Je deelt weinig spontaan plezier, bezigheden of prestaties met een ander
-
Je vindt het moeilijk te reageren op een ander (wederkerigheid mist)
Problemen op het gebied van communicatie:
-
Je hebt een achterstand in de ontwikkeling van gesproken taal of spreekt niet
-
Je vindt het moeilijk om een gesprek te beginnen of gaande te houden
-
Je herhaalt bepaalde woorden of hebt een 'eigen' taaltje
-
Je doet weinig 'doen-alsof'-spelletjes of 'nadoen'-spelletjes
Beperkte, zich herhalende patronen van gedrag, interesses en activiteiten:
-
Je hebt bijzondere interesses en verdiept je hier intensief in
-
Je hebt bepaalde routines (die niet functioneel zijn) en wil daar niet van afwijken
-
Je herhaalt bepaalde motorische bewegingen (zoals fladderen met de handen)
-
Je hebt bijzondere interesse voor delen van voorwerpen
Aangezien ASS vaker voorkomt bij bepaalde aandoeningen (zoals epilepsie, fragiele X of een hersenbeschadiging), gaat het waarschijnlijk om een neurobiologische aandoening. De oorzaak van ASS wordt voor 90% aan erfelijkheidsfactoren toegeschreven, maar de interactie met de omgeving is ook van belang. Hoe de overerving plaatsvindt, is nog niet bekend.
Voor de verklaring van de problemen van mensen met ASS zijn er verschillende verklaringsmodellen:
-
Theory of Mind: mensen met ASS hebben problemen met het toeschrijven van gedachten, geloof en intenties aan zichzelf en anderen.
-
Executieve Functies: mensen met ASS hebben problemen met de regelfuncties van de hersenen, die de opname en verwerking van nieuwe en complexe informatie coördineren en organiseren. Deze functies zijn essentieel voor doelgericht en aangepast gedrag. Mensen met ASS kunnen hun gedrag hierdoor moeilijk plannen, organiseren en controleren. Ze hebben moeite met schakelen (cognitieve flexibiliteit); het kunnen verleggen van de aandacht van de ene naar de andere activiteit of situatie.
-
Centrale Coherentie: mensen met ASS hebben een zwakke drang tot het zien van samenhang (centrale coherentie) en daarom een gefragmenteerde waarneming. Ze zijn vooral op details gericht en minder op de context, waardoor een verstoorde betekenisverlening ontstaat.
Om een diagnose ASS te kunnen vaststellen, moet een ontwikkelingsanamnese en psychologisch onderzoek (inclusief gedragsobservaties) plaatsvinden. In overleg met de client zal ook bij de school of opleiding/werk informatie gevraagd worden over het gedrag. Vanwege de verstoorde informatieverwerking hebben mensen met ASS ook vaak leerproblemen. Er zal daarom ook naar het cognitief functioneren in brede zin gekeken worden (werkhouding en leren). Het onderzoek resulteert in een beschrijving van sterke en zwakke kanten van de cliënt, waarbij een onderscheid gemaakt moet worden tussen specifieke gedragsproblemen behorend tot ASS en niet-specifieke problemen (bijkomende problemen). Het advies is gericht op de specifieke hulpvraag van de cliënt en zijn omgeving.
Behandeling
De behandeling richt zich in grote lijnen op:
-
psycho-educatie voor de cliënt en/of ouders/systeem: onder andere kennis en inzicht in ASS, mogelijkheden en beperkingen van de cliënt, acceptatie.
-
aanleren van vaardigheden via cognitieve gedragstherapie (inclusief generalisatie naar de alledaagse situatie) zoals sociale vaardigheden, plannen en organiseren en het vergroten van het probleemoplossend vermogen.
-
ouder- of systeembegeleiding: structuur en overzicht bieden, passende benaderingswijze, gedragsanalyse, stimuleren van gewenst gedrag en verminderen van probleemgedrag, stimuleren van de normale ontwikkeling en vergroten van de draagkracht.
ASS is niet te genezen. Mensen met ASS zullen sociale problemen houden. De mate waarin iemand hier last van heeft kan echter per persoon verschillen. Vroegtijdige onderkenning en behandeling, een sturende benadering en een gestructureerde omgeving kunnen negatieve gedragspatronen en emotionele problemen voorkomen of verminderen. De mate waarin zelfstandigheid bereikt wordt hangt af van de ernst van de problematiek en de eisen die de omgeving stelt wat betreft flexibiliteit en relationele vaardigheden. In het algemeen geldt dat hoe hoger het IQ is en hoe beter de spraak- en taalontwikkeling is, des te beter het vooruitzicht is.
Literatuur: Lieshout, T. van (2009). Pedagogische adviezen voor speciale kinderen. Een praktisch handboek voor professionele opvoeders, begeleiders en leerkrachten. Houten: Bohn Stafleu van Loghem





