Fien is 19 jaar als ze in een zware fase van haar leven zit. Ze is eigenlijk overal bang voor, wat tot de nodige frustraties leidt. Haar ongenoegen uit ze op een heftige manier. Ruzies met haar ouders, ruzie met haar vriend op wie ze sterk leunt. Ze voelt zich afhankelijk, maar wil dat niet. Ze drinkt veel, blowt en steelt kleding in winkels. Als ze zich erg slecht voelt, snijdt ze in haar polsen. Zo voelt ze de pijn, letterlijk. Zo voelt ze in ieder geval iets. Ze gaat niet of nauwelijks naar school; de omgeving en de mensen beangstigen haar. Ze weet niet hoe ze er mee om moet gaan. Ze heeft hulp gezocht, maar heeft het gevoel dat haar begeleider niets van haar snapt. Ook daar leiden de gesprekken alleen maar tot ruzie. Het lijkt alsof iedereen tegen haar samenspant. Ze komt nauwelijks in beweging. Haar wereld wordt alleen maar kleiner, benauwd. De medicijnen die ze slikt lijken ook niet te helpen, denkt ze; weet ze eigenlijk niet. Haar hulpverlener verwijst haar door naar Molendrift